mogen | lusten hij mocht | hij lustte hij heeft gemogen | hij heeft gelust
Answer
mögen er mochte er hat gemocht
Card 87
Question
moeten | hoeven hij moest hij heeft gemoeten
Answer
müssen er musste er hat gemusst
Card 88
Question
moeten | hoeven hij moest hij heeft gemoeten
Answer
sollen er sollte er hat gesollt
Card 89
Question
spreken hij sprak hij heeft gesproken
Answer
sprechen er sprach er hat gesprochen
Card 90
Question
springen hij sprong hij heeft gesprongen
Answer
springen er sprang er ist gesprungen
Card 91
Question
steken hij stak hij heeft hestoken
Answer
stechen er stach er hat gestochen
Card 92
Question
staan hij stond hij heeft gestaan
Answer
stehen er stand er hat gestanden
Card 93
Question
stelen hij stal hij heeft gestolen
Answer
stehlen er stahl er hat gestohlen
Card 94
Question
stijgen hij steeg hij is gestegen
Answer
steigen er stieg er ist gestiegen
Card 95
Question
sterven hij overleed hij is gestorven
Answer
sterben er starb er ist gestorben
Card 96
Question
porren | duwen hij porde | hij duwde hij heeft gepord heeft geduwd
Answer
stoben er stieb er hat gestoben
Card 97
Question
twisten | strijden hij twistte | hij streed hij heeft getwist | hij heeft gestreden
Answer
streiten er stritt er hat gestritten
Card 98
Question
dragen hij droeg hij heeft gedragen
Answer
tragen er trug er hat getragen
Card 99
Question
treffen hij trof hij heeft gestroffen
Answer
treffen er traf er hat getroffen
Card 100
Question
beoefenen hij beoefende hij heeft beoefend
Answer
treiben er trieb er hat getrieben
How to use this set
Read the preview and check whether the content and answers suit your learning goal. You can add the public set to your sets to study it. Your account shows the available actions.