Definition: taalvariëteit die door isoglossen van andere taalvariëteiten onderscheiden wordt; wordt zowel voor een geheel van taalvariëteiten als voor de verschillende subvariëteiten gebruikt, b.v. Gents als (sub)dialect van het Oostvlaams, Oostvlaams als dialect van het Nederlands etc. Men onderscheidt ook sociolecten (taalvariëteiten die door sociologische isoglossen onderscheiden worden, b.v. mannen- vs. vrouwentaal, jongerentaal etc.) en idiolecten (individuele taalvariëteiten)
Card 22
Question
Morfologie
Answer
Definition: studie van de vorming van de woorden: men onderscheidt de woordvorming (derivatie) en de flexie
Card 23
Question
Laryngaal
Answer
Definition: klank die in het strottenhoofd gerealiseerd wordt
Card 24
Question
Endoglossie
Answer
Definition: inheemse standaardtaal, gegroeid uit de dialecten
Card 25
Question
Perifrastisch
Answer
Definition: uitdrukking van een grammaticale categorie door verschillende woorden, b.v. Fr. j’ai aimé vs. Lat. amavi (zie analytisch)
Card 26
Question
Pidgin
Answer
Definition: een vereenvoudigde (contact)taal die ontstaat wanneer mensen met zeer verschillende moedertalen met elkaar willen communiceren
Card 27
Question
Substraattaal
Answer
Definition: niet dominante taal, die eerder werd gesproken en waarvan elementen als sporen zijn achtergebleven in de nieuwe taal (die door sprekers van de oude taal werd overgenomen)
Card 28
Question
Alfabetisch
Answer
Definition: schriftsysteem waarbij elk teken (idealiter) één klank uitdrukt.
Card 29
Question
Suffix
Answer
Definition: achtervoegsel, subtype van een affix
Card 30
Question
Lingua franca
Answer
Definition: overkoepelende communicatietaal (gebruikt als de eigen talen wederzijds niet of moeilijk verstaanbaar zijn)
How to use this set
Read the preview and check whether the content and answers suit your learning goal. You can add the public set to your sets to study it. Your account shows the available actions.