Back to overview

Deutsch Fremdsprache - Starke Verben - EduKempen

das Präsens - das Präteritum - das Perfekt

Subject
Language / Dutch
Language of creation
German
116 flashcards No ratings yet 0 views
Add to my sets

Sign in to add this set to your collection. You will return here afterwards.

Cards in this set

Card 41

Question

duwen
hij duwde
hij heeft geduwd

Answer

schieben
er schob
er hat geschoben

Card 42

Question

schieten
hij schoot
hij heeft geschoten

Answer

schieben
er schoss
er hat geschossen

Card 43

Question

slapen
hij sliep
hij heeft geslapen

Answer

schlafen
er schlief
er hat geschlafen

Card 44

Question

slaan
hij sloeg toe
hij heeft geslagen

Answer

schlagen
er schlug
er hat geschlagen

Card 45

Question

sluipen
hij kroop
hij is gekropen

Answer

schleichen
er schlich
er ist geschlichen

Card 46

Question

sluiten
hij sloot
hij heeft gesloten

Answer

schlieben
er schloss
er hat geschlossen

Card 47

Question

gooien
hij gooide
hij heeft gegooid

Answer

schmeiben
er schmiss
er hat geschmissen

Card 48

Question

smelten
hij smolt
hij is gesmolten

Answer

schmelzen
er schmolz
er hat geschmolzen

Card 49

Question

snijden
hij sneed
hij heeft gesneden

Answer

schneiden
er schnitt
er hat geschnitten

Card 50

Question

schrijven
hij schreef
hij heeft geschreven

Answer

schreiben
er schrieb
er hat geschrieben

Card 51

Question

schreeuwen
hij schreeuwde
hij schreeuwde

Answer

schreien
er schrie
er hat geschrien

Card 52

Question

stappen
hij stapte
hij heeft gestapt

Answer

schreiten
er schritt
er ist geschritten

Card 53

Question

zwijgen
hij zweeg
hij heeft gezwegen

Answer

schweigen
er schwieg
er hat geschwiegen

Card 54

Question

zwemmen
hij zwom
hij heeft gezwommen

Answer

schwimmen
er schwamm
er ist geschwommen

Card 55

Question

zien
hij zag
hij heeft gezien

Answer

sehen
er sah
er hat gesehen

Card 56

Question

zijn
hij was
hij is geweest

Answer

sein
er war
er ist gewesen

Card 57

Question

zingen
hij zong
hij heeft gezongen

Answer

singen
er sang
er hat gesungen

Card 58

Question

zitten
hij zat
hij heeft gezeten

Answer

sitzen
er sab
er hat gesessen

Card 59

Question

lukken | slagen
hij lukte
hij is gelukt | hij is geslaagd

Answer

gelingen
es gelang
es ist gelungen

Card 60

Question

gelden
hij gold
hij heeft gegolden

Answer

gelten
er galt
er hat gegolten

How to use this set

Read the preview and check whether the content and answers suit your learning goal. You can add the public set to your sets to study it. Your account shows the available actions.

Rejoining the server...

Rejoin failed... trying again in seconds.

Failed to rejoin.
Please retry or reload the page.

The session has been paused by the server.

Failed to resume the session.
Please reload the page.